Onkruidbeheer op verhardingen wordt maatwerk
Bron: Vakblad GRONDIG – September 2011
Borstels, branders, stoom, heet water: het arsenaal aan onkruidbestrijdingstechnieken op verhardingen groeit nog altijd. En dat is niet voor niets. Het gebruik van chemie - Roundup dus - moet verder omlaag. PRI-onkruidspeciatist Corné Kempenaar ziet het slim combineren van technieken als de toekomst.
Cumelabedrijven en hoveniers hebben de afgelopen jaren veel geïnvesteerd in nieuwe onkruidbestrijdingstechnieken voor verhardingen. Zij spelen daarmee in op de trend naar minder chemie. Steeds meer gemeenten zweren het gebruik van herbiciden af en pal langs waterlopen of dichtbij waterwingebieden is het gebruik ervan simpelweg verboden.
Waar Roundup wordt toegepast, gebeurt dat volgens de spelregels van Duurzaam Onkruidbeheer op Verhardingen (DOB), die u in het julinummer van Grondig nog eens heeft kunnen nalezen. Hierbij wordt rekening gehouden met de neerslagkansen, om zo rechtstreekse afspoeling richting oppervlaktewater te voorkomen. Ook rijden er in Nederland naar schatting al zo'n 800 quads rond voorzien van selectieve spuitapparatuur, zodat het middelverbruik per vierkante meter omlaag kan.
Het lijkt erop dat at deze moeite niet voor niets is. Uit residumetingen bij drinkwaterinnamepunten blijkt dat sinds het jaar 2005 de norm van 0,1 microgram per liter steeds minder vaak wordt overschreden. In 2010 gebeurde dat bij Maasdrinkwaterinnamepunt Keizersveer één keer en dat is precies de piek die eens per twaalf maanden wordt getolereerd. Corné Kempenaar, onkruidbestrijdingsspecialist bij Plant Research International in Wageningen en geestelijk vader van het DOB-systeem: "Het bewijst dat beheerders van openbare ruimten op de goede weg zijn, maar het is een wankel evenwicht. Pas als iedereen de regels goed naleeft, zijn de strenge Nederlandse normen haalbaar."
Kwetsbare groepen
Ondanks de gunstige trend wordt er druk gezocht naar alternatieven voor herbiciden. Dat heeft meerdere redenen. De EU-gewasbeschermingsrichtlijn schrijft voor dat lidstaten hun afhankelijkheid van chemische middelen verder verminderen. In 2012 moet Nederland dit hebben vertaald in een Nationaal Actie Plan (NAP). Hierin komt een aparte paragraaf over niet-landbouwactiviteiten, waarmee vooral onkruidbestrijding op verhardingen wordt bedoeld. Een totaal verbod op het toepassen van herbiciden, zoals sommige groepen voorstellen, is volgens Kempenaar niet aan de orde. "Wel wordt er gesproken over het verbieden van chemie op plekken waar kwetsbare groepen komen, zoals schoolpleinen, speeltuinen en rond bejaardencentra. Dat zou een voorzorgsmaatregel zijn, want er is geen sprake van gevaar." Een andere onzekerheid is het aflopen van de toelating van glyfosaat in 2012. De stof moet op Europees niveau opnieuw worden beoordeeld. De kans is groot dat de toelating er gewoon weer komt. Wel hangt op nationaal niveau de certificeringsplicht nog in de lucht (zie onder).
Dan is er nog de Kaderrichtlijn Water, waarin het verminderen van residuen van meststoffen en middelen in het oppervlaktewater centraal staat. Hierop inspelend is het overheidsproject Duurzaam Terreinbeheer van start gegaan, waarin ook CUMELA en specialisten zoals Kempenaar meedenken over het verder verbeteren van de milieuprestaties.
Slim combineren
Binnen het project Duurzaam Terreinbeheer worden verschillende nieuwe maatregelen onderzocht. Eén ervan is het gebruik van ultraviolet licht. Bij een hoge dosis van dat licht leggen onkruidplanten het loodje. Probleem is nog dat een korte blootstelling aan de straling niet genoeg is. Dat beperkt op dit moment de rijsnelheid te veel voor een haalbare toepassing.
Een ander idee is 'slim vegen'. Nu doen gemeenten vaak het veegwerk en wordt het onkruidbeheer door aannemers gedaan. Dat zou best in één werkgang kunnen, is het idee. Bovendien gaat het vegen nieuwe onkruidgroei tegen. Weer een ander idee is het voorkomen dal onkruid überhaupt een kans krijgt. Dat kan door het gebruik van voegmateriaal waarin planten niet kunnen wortelen, maar dat wel water doorlaat. Op dit moment gebeurt dat al op plaatsen waar je liever niet te vaak komt, zoals verkeerspleinen en rotondes. Een dergelijke oplossing vraagt echter al in de ontwerpfase aandacht voor onkruidbeheer. En dat heeft nu niet bepaald prioriteit bij ontwerpers. Bovendien is het duur; het gaat al gauw om een extra investering van tientallen euro's per vierkante meter. Het meest verwacht Kempenaar van het combineren van technieken, de zogenaamde geïntegreerde bestrijding. "Dat zit ook al ingebakken in het DOB-systeem. Door bijvoorbeeld eenmaal per twee jaar een ronde in te lassen met een veegwagen haal je de voedingsbodem weg waarin onkruidzaden zich ontwikkelen. Daardoor hoef je minder vaak te bestrijden. Ook kun je denken aan het afwisselen van verschillende technieken. Dat is sowieso slim om te kunnen inspelen op wisselende weersomstandigheden. DOB geeft daarbij de grenzen aan waarbinnen niet-chemische en chemische technieken goed scoren op gebied van milieu: "
Chemie is emotie
Bij duurzaam terreinbeheer blijft glyfosaat voorlopig een belangrijke rol spelen, denkt Kempenaar. "Hoe je het ook wendt of keert: bij de juiste toepassing is het veilig, het is goedkoop, het werkt effectief en het is relatief weinig milieubelastend. We zitten alleen met de drinkwaternorm voor dit veelgebruikte middel. En met het imago. Ik krijg wel eens verontruste telefoontjes van burgers die de deur niet meer uit durven omdat de stoep is behandeld met Roundup. Dat is natuurlijk geen terechte angst. We moeten daarom uitkijken dat het geen emotionele discussie wordt. Alternatieve technieken moeten vooral goedkoper én beter worden."
In het huidige economische klimaat ziet Kempenaar de 'groene trend' onder gemeenten weer wat afnemen. Ook zij moeten bezuinigen en kunnen dezelfde euro's ook voor onderwijs of ouderenzorg inzetten. Daar komt bij dat het resultaat van niet-chemische technieken soms nog tegenvalt. "Meerjarig onkruid zoals paardenbloem staat er drie weken na behandeling soms weer net zo frivool bij als voor de bestrijding. Je moet vaak terugkomen en dat maakt het duur." Niet-chemische technieken zijn ruwweg drie tot vijf keer duurder dan chemie, blijkt uit gegevens van Kempenaar. In de goedkoopste bestekken die hij heeft gezien, werden prijzen van € 0,04 tot € 0,05 per vierkante meter genoemd voor tweemaal spuiten met glyfosaat. Volgens Kempenaar gaat het in die gevallen echter om een 'cowboy-achtige' aanpak. "Als je netjes volgens de DOB·methode werkt, red je het niet voor die prijs. Dan moet je rekenen op € 0,08 tot € 0,12 per vierkante meter. Bij niet-chemische alternatieven is € 0,20 het goedkoopst. Maar als je gaat voor een goed resultaat, op een representatieve plek in de stad, dan moet je eerder richting € 0,30 denken."
Naast elkaar
Welke niet-chemische variant is het meest kansrijk? Kempenaar vindt dat moeilijk om te zeggen. "Je ziet momenteel allerlei varianten ontstaan, zoals recent de WeedSteam. waarbij hete lucht en heet water worden gecombineerd. We zouden alle nieuwe technieken eens goed met elkaar moeten vergelijken, niet alleen op effectiviteit, maar ook op de milieuprestaties. In 2005 is dat voor het laatst gebeurd, door een onafhankelijk instituut. Samen met Belgische instanties bekijken we of we zoiets weer kunnen opzetten", aldus Kempenaar. CUMELA Nederland en de vereniging van ondernemers in de groenbranche VHG ondersteunen een dergelijke 'Life Cycle Analysis' (LCA).
Tekst: Egbert Jonkheer
Foto: Egbert Jonkheer en CUMELA Communicatie
Corné Kempenaar ziet dat er bij gemeenten vanwege de kosten weer een lichte trend richting chemie is.
Certificaat of niet?
De Nederlandse toelatingsinstantie Ctgb wil dat gebruikers van glyfosaat op verhardingen zich niet alleen aan DOB houden, maar ook verplicht gecertificeerd zijn. CUMELA en de VHG zijn hierop tegen. Bedrijven zijn immers al gecertificeerd, omdat de toepasser een spuitdiploma moet hebben. Deelcertificaten zouden alleen maar de administratieve rompslomp vergroten. Het college van beroep heeft CUMELA en de VHG gelijk gegeven, maar het Ctgb heeft deze uitspraak naast zich neergelegd. De beide brancheorganisaties hebben nu een kort geding aangespannen.